Het is maandagavond en ik zit er al een hele tijd tegen aan te hikken; het schrijven van mijn credo. Hieronder vormt zich straks een soort geloofsbelijdenis volgens de Dikke Van Dale. Het thema wat Erzsi erin knalde was: wat moet een leerling van 15 kunnen? Wat voor een muzikant moet zo'n leerling zijn? Waarom wil je dat en geloof je dat dat nodig is/handig is/beter is/moet/ nut heeft?
Tijdens de korte presentaties van alle duo's ontstond een gekke kloof tussen muziek als doel en muziek als middel. Een kloof die bij mij veel bellen deed rinkelen, omdat ik discussies met dit onderwerp vele malen heb gevoerd op mijn vorige opleiding. Dat muziek bij muziektherapie als middel dient om veranderingen, ontwikkelingen, stabiliteit of acceptatie op emotioneel, gedragsmatig, sociaal of lichamelijk gebied te bewerkstelligen, daar was iedereen het altijd wel over eens. Maar over de rol van de muziek zelf niet! En vergeet dan ook niet het verschil tussen werken in of werken met dat medium muziek en je bent zo weken verder om je eigen mening een beetje staande te houden tussen al die visies en opvattingen op dit punt.
Ik vind dat in mijn functie als muziekdocente, de muziek voorop staat. Muziek is wat mij betreft het doel van de lessen die leerlingen in basis- en middelbaar onderwijs krijgen. Dat leerlingen door het maken van of luisteren naar muziek op zo'n manier persoonlijk geraakt kunnen worden dat er een ontwikkelingsproces in gang wordt gezet, vind ik een waardevolle bonus van het vak. Maar tegelijkertijd ook logisch omdat ik geloof in het analoge procesmodel (ontwikkeld door ubermuziektherapeut Henk Smeijsters, die eclectisch te werk ging.. dus ideeën en resultaten van anderen combineerde en zo tot een prachtig model kwam), waarbij de ontwikkelingsaspecten van een individu worden gekoppeld aan muzikale parameters/vormen. Oftewel de ontwikkeling van een individu heeft werking op de manier waarop hij of zij speelt, maar ook de muziek die er gemaakt of geluisterd wordt triggert op welke manier dan ook de ontwikkeling van het individu. Omdat er weinig evidence based materiaal is op het gebied van Muziektherapie, hoe fanatiek ze ook onderzoek blijven doen, mist ze weinig knallende (lees: overtuigende) resultaten. Het wordt meestal toch nog gezien als alternatieve geneeswijze en tja.. je moet het geloven om te zien werken. Je moet dus geloven, maar ook vertrouwen, in de kracht van de muziek en haar werking.
Uitwerking opdracht:
Samen met José kwam ik snel tot de keuze van een bepaald type leerling. Aan het eind van de derde zie ik graag terug dat een leerling een brede stijlkennis heeft opgedaan, dat de leerling zowel zanger als speler is en dat hij/zij in staat is (waar nodig) emotionele verbindingen te leggen.
1. Brede stijlkennis.
Kennis van de omvang van het muziekrepertoire bevordert naar mijn idee het kiezen van een eigen stijl. De leerling krijgt voldoende gelegenheid en ruimte zich te kunnen identificeren ('hee, dit vind ik blijkbaar leuk. hee, dit hoort bij mij. hee, dit is onderdeel van wie ik ben/wil zijn.. dit ben ik'); het vinden van een eigen smaak wordt gestimuleerd. Die eigen smaak is van belang omdat we in een individualistische maatschappij leven die van pubers al verlangt dat ze weten wie ze zijn, wat ze kunnen en waar ze naar toe willen in het leven. Is niet waar ik het mee eens ben vanwege de nog jonge leeftijd, maar dat is wel aan de orde volgens mij. Muzikale smaak kleurt een van de vakjes van die 'wie-ben-ik-kleurplaat' in en is daarom van wezenlijk belang.
Groot voordeel van het opdoen van een brede stijlkennis, is tevens dat de maatschappelijke en historische context van de verschillende muziekstijlen hier natuurlijk ook onder vallen. Hierdoor maak je het waarom van het ontstaan van muziek meer begrijpelijker (en hopelijk ook interessanter) voor een leerling.
2. Zanger
Zingen kan altijd, er is weinig voor nodig en is niet perse gebonden aan vast materiaal en een locatie. Zingen is persoonlijk en een snelle manier om bij je gevoel te komen en dat gevoel kan op zichzelf dan weer gebruikt worden om op een bepaalde manier te zingen. Zingen kan een leerling daarnaast ook lichaamsbewust maken door middel van inzing- en ademhalingsoefeningen. Zingen kan gemakkelijk samen of alleen; je kan een leerling met gouden strot belonen met een vette solo, maar ook de hele groep op hun verantwoordelijkheid aanspreken met een canon. Zingen kan een opstap zijn naar het spelen van ritmes of melodieën op instrumenten.. eerst voorspreken dan pas op de djembe: wil je nog een sap? wil je nog een co-la? wordt dan ta-ta-ta-ta-boem, ta-ta-ta-ta-boem-boem of kort-kort-kort-kort-lang, kort-kort-kort-kort-lang-lang.
3. Speler
Hier komen ritmiek, melodie en harmonie samen. Alledrie kunnen deze in de muzikale lessen niet ontbreken. Ook het dagelijks leven van een leerling zit vol ritmiek (opstaan, douchen, tanden poetsen, naar school, terug naar huis, huiswerk maken, sporten, tv kijken, slapen), dus waarom in de klas niet? Voor melodie en harmonie niet zo'n prachtige beschrijving, maar waar het op neer komt is dat een speler als solist, maar vooral in samenspel (als ensemblemuzikant) veel baat heeft bij wat kennis/kunde op dit gebied. Samen spelen kan door een strak ritme, een toffe melodie en eenvoudige harmonie (lees: I-IV-V) op een keyboard een onwijze kick geven. Samen spelen is goed voor de groepsdynamiek voor een klas, maar in samenspelen zitten onwijs veel subdoelen verstopt als naar elkaar luisteren, concentratie, hulp vragen, hulp aanbieden, et cetera.
Tevens kun je als speler verschillende kanten op; componeren, improviseren en van blad spelen. Het hoort er allemaal bij en het voordeel is dat er echt wel iets tussen zit wat de speler in de leerling aanwakkert.
4. Leggen van emotionele verbindingen
Muziek = emotie! Het maken van verbindingen in de lessen nodigt uit dat ook buiten het lokaal te doen; de leerling ervaart zelfstandig welke invloed bepaalde muziek op hem of haar heeft. Door het leggen van connecties, wordt het voorstellingsvermogen van een leerling aangesproken, wat kan helpen op een bepaalde manier te zingen of te spelen (bevordert de expressie). Na een vraag als 'kunnen jullie dit wat bozer zingen' mogen we een bepaald geluid verwachten van een klas.
Groepsdynamisch gezien; samen hetzelfde voelen = contact maken = communicatie. Communicatie over muziek betekent hopelijk ook een beter begrip van de muziek. En aangezien het feit dat de muziek overal aanwezig is, is het handig als een leerling begrijpt wat dat nou is die muziek.
5. Wat moet een leerling kunnen om tot bovenstaande 4 punten te komen?
Even wat kenmerken op een rij: luisteren (horen en onthouden), interesse tonen, bewust zijn van zichzelf en eigen kunnen, kunnen communiceren, samenwerken, ‘probeer-instelling’ hebben, respect voor elkaar tonen, geconcentreerd kunnen werken, voorstellingsvermogen kunnen aanspreken (associaties maken, durven te denken aan herinneringen, de toekomst, het verleden, dromen etc.) en vast nog zoveel meer.
Ik vind het raar om al deze punten op te schrijven, omdat het net lijkt alsof je de perfecte leerling aan het creëren bent. Wel goed om te weten dat ik dit in het meest ideale geval wel terug zie komen en dat ik dus bij mijzelf moet gaan kijken hoe ik les wil gaan geven om de leerlingen iets van mijn visie mee te geven.
Ik kijk uit naar de gesprekken over onze visies en het overbruggen van kloven!